De ziekte van Alzheimer en erfelijkheid

Al in 1934 stelden onderzoekers vast dat de ziekte van Alzheimer in een aantal gevallen een duidelijke erfelijke factor had. Men nam aan dat het hier om een zeldzame vorm van Alzheimer ging. Omdat de ziekte meestal pas op hoge leeftijd begint, is het echter moeilijk te bepalen in hoeverre erfelijke factoren een rol spelen.
Met behulp van moleculair genetische technieken zijn tegenwoordig bepaalde stukjes van drie verschillende chromosomen (erfelijkheidsdragers) geïdentificeerd die bij sommige gevallen van de ziekte een rol spelen, maar bij andere gevallen niet. Deze vaststelling steunt de theorie dat Alzheimer een complexe ziekte is, met andere woorden dat verschillende erfelijke factoren eenzelfde ziektebeeld teweeg kunnen brengen.
De kans om de ziekte van Alzheimer te krijgen is iets verhoogd voor iemand die een eerstegraads familielid met de ziekte heeft. Als Alzheimer bij meer leden van een familie voorkomt spreekt men van de familiaire vorm. Overigens zegt 'familiair' niets over de oorzaak: er kan een erfelijke factor in het spel zijn, maar het kan ook zijn dat men blootgesteld is geweest aan eenzelfde omgevingsinvloed.

De vroege familiaire vorm en chromosomen
Een klein percentage (1-10%) van de personen die lijden aan de ziekte van Alzheimer wordt op jonge leeftijd (soms vóór het 40e levensjaar) gediagnostiseerd. In 1987 werd een gebiedje op chromosoom 21 aangewezen in een paar families waarin de vroege vorm voorkomt. In datzelfde jaar ontdekte men dat de genetische codering voor het zogenaamde Amyloïd Precursor Proteïne (APP) op dit chromosoom ligt. APP is het proteïne waarvan een stof wordt afgesplitst (β-amyloïd) dat het hoofdbestanddeel vormt van de karakteristieke Alzheimer-plaques. Onderzoek in latere jaren heeft opgeleverd dat bij minder dan 15 families definitief kon worden vastgesteld dat er sprake was van een duidelijk overervingspatroon als gevolg van mutaties op dit chromosoom. Het onderzoek richt zich nu op de vraag hoe veranderingen in het APP het ziekteproces bij Alzheimer beïnvloeden.

De late familiaire vorm en chromosomen
De erfelijke bijdrage aan Alzheimer op hoge leeftijd wordt vertroebeld door de aard van de ziekte en doordat verwanten overleden zijn voordat verschijnselen van de ziekte optreden. In 1991 werd het eerste bewijs geleverd voor een verband tussen familiaire Alzheimer op latere leeftijd en een genetische afwijking op chromosoom 19. Het gaat om een specifiek gen dat zorgt voor de aanmaak van apolipoproteïne E, een plasma-eiwit dat is betrokken bij het transport van cholesterol en mogelijk een aantal andere biologische activiteiten. Vooral de aanwezigheid van een dubbele kopie van dit gen lijkt samen te gaan met een verhoogd risico op het krijgen van de ziekte van Alzheimer.
Ook hier is de relatie niet eenduidig: bij autopsie werd bij 40% van een groep niet familiaire Alzheimerpatiënten het betreffende gen ook aangetroffen terwijl er ook personen werden gevonden die wel de ziekte van Alzheimer hadden maar niet de genetische afwijking van het gen.

Conclusie
De ontwikkeling op het terrein van onderzoek naar erfelijke factoren bij de ziekte van Alzheimer verloopt snel. Steeds meer stukjes van de puzzel worden gevonden, maar van veel is niet bekend hoe zij in elkaar passen noch welke invloed ze op elkaar uitoefenen.

Bron: Internationale Stichting Alzheimer Onderzoek ( www.alzheimer.nl).

Meer weten? Bezoek onze bibliotheek.

BTSG innovatie in ouderenzorg. Postbus 1329, 6501 BH Nijmegen.