Deze site gebruikt cookies

U bent in 'Bibliotheek'
    

Home BTSG Bibliotheek Trainingen Management BTSG academie ThemaBulletin EVV GVP
Sinds 1983 actief in de zorg voor ouderen Bijgewerkt op: zaterdag 09 november 2013    

KvK 09151324

 
Dementie
- dementie syndroom
- centrale gedragskenmerken
 andere mogelijke
   stoornissen en omgang
- omgangsadviezen
- neuropsychologisch onderzoek
- hersenatrofie bij dementie
- prognoses groei dementie tot 2030
- pprognose opvangplaatsen tot 2030
- dementievormen
- diagnostiek
- richtlijnen / zorgstandaard
- onze hersenen



Andere mogelijk optredende stoornissen bij dementie

Emotionele stoornissen of affectlabiliteit
Iemand kan zijn emoties niet meer zo gemakkelijk onder controle houden. Men kan zonder duidelijke aanleiding boos, blij of verdrietig zijn. Stemmingsstoornissen zijn vaak vroege symptomen van dementie. De stemming is vaak depressief en angstig. Trouwens, wie zou niet bang worden of verdrietig zijn wanneer hij/zij de omgeving meer en meer als "vreemd" gaat beleven.

Stoornissen in het handelen als gevolg van apraxie, agnosie
Aangeleerde vaardigheden gaan achteruit. Dat betreft ingewikkelde zaken als rekenen, tekenen, schrijven, maar ook meer alledaagse handelingen als aankleden, knopen dichtmaken, eten en toiletgang. Het uitvoeren van dit soort praktische handelingen wordt onmogelijk, zonder dat er van verlamming sprake is. Men weet niet meer hoe en in welke volgorde men bepaalde handelingen moet verrichten. Dat wil zeggen dat de ADL functies (Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen), zoals wassen, aankleden, eten, toiletbezoek gestoord raken. Bijvoorbeeld iemand schenkt thee in de suikerpot. De stoornis in het praktisch handelen heet apraxie.
Wanneer de herkenning gestoord is, spreken we van agnosie. Deze agnosie betreft niet alleen gestoorde herkenning van hetgeen gezien wordt. Ook kunnen reuk-, gehoor- en tast-agnosie voorkomen. De zintuigen zijn intact meer het signaal wordt niet meer gekoppeld aan de juiste betekenis.

Stoornissen in de taal: afasie
Ook het spreken kan moeilijk worden of eigenlijk moet gezegd worden: de taal. De zinnen worden gebroken, men heeft moeite met het vinden van het juiste woord. Deze taalstoornissen worden afasie genoemd.
Wanneer men het goede woord niet meer kan vinden of een verkeerd woord gebruikt spreken we van een benoemingsstoornis ofwel een expressieve of motorische afasie. Wanneer men niet meer begrijpt wat er wordt gezegd, dus als er problemen zijn met het begrijpen van de taal, spreken we van een sensorische afasie.
Afasie kan ook door een geheel andere oorzaak ontstaan (bijvoorbeeld als gevolg van een hersenbloeding) en mag niet altijd als een zichtbaar teken van dementie opgevat worden.

Oordeels- en kritiekstoornissen
Het inzicht in eigen functioneren wordt minder. Men weet niet hoe men op iets moet reageren of men reageert niet adequaat. Bijvoorbeeld: bij het overlijdensbericht van een familielid reageert iemand met een blijde lach.
Er treedt een verval van de waarneming op - of beter - er treedt verval van de verwerking van de waarneming op. Als de inprenting verstoord is dan spreekt dat wat waargenomen wordt niet meer aan: er is dan geen inzien en doorzien. De intelligentie-stoornissen dragen hier natuurlijk ook aan bij. Een verkeerde beoordeling van een situatie heeft een ander (verkeerd?) gedrag tot gevolg.

Ziektebesef of ziekte-inzicht
Soms heeft men geen besef van eigen falen. Bijvoorbeeld: "Hoe is het met uw geheugen?". "Prima". Terwijl iemand tevoren blijk heeft gegeven van een falend geheugen.

Dwalen

Decorumverlies
Gedragsregels - waaraan wij ons gedurende ons hele leven gehouden hebben - worden overboord gezet. De achtergrond van gedrag wordt niet meer doorzien. Iemand kan zich gaan verwaarlozen (kleding en uiterlijk); waarom zou je je nog wassen of schone kleren aantrekken? Waarom zou je je eigenlijk nog kleden? Iemand kan niet meer beoordelen wat fatsoenlijk is en wat niet. Bijvoorbeeld: iemand kan ongepaste opmerkingen maken of zich in het openbaar uitkleden. Hierbij moet je wel oppassen want het kan best zijn dat de persoon altijd al gewend was om boeren te laten na het eten en dat niet onfatsoenlijk vond.

Hallucinaties en wanen
Het kan zijn dat iemand dingen waarneemt die er niet zijn (horen, zien, voelen, ruiken en proeven). Dit noemen we hallucinaties. Bijvoorbeeld iemand die allerlei stemmen hoort.
Iemand kan denken dat er dingen gebeuren, die in werkelijkheid niet gebeuren. Deze gestoorde wijze van denken noemen we wanen. Bijvoorbeeld: iemand die denkt dat hij bestolen wordt.

Dementerende mensen maken dingen mee (in hun belevingswereld) waar een ander buiten staat, dingen die moeilijk te vatten zijn voor omstanders. Moeten die fantasieŽn bestreden worden? Moet de dementerende mens met alle geweld in "onze werkelijkheid" gedwongen worden? Twee dingen zijn hierbij van belang:

  • Laat de ander in zijn waarde. Je erkent daarmee dat de wereld waarin de dementerende oudere leeft voor hem of voor haar een echte wereld is.
  • Het andere punt is onze "normale" wereld. Dementerende mensen kunnen die twee werelden niet meer van elkaar onderscheiden. Je moet nooit helemaal meegaan in de waandenkbeelden van de ander, maar accepteer dat de ander daar in zit. Daar komt heel wat vindingrijkheid bij kijken, probeer dat zo speels mogelijk te doen.

Confabuleren
Dit is het vertellen van verhalen die niet of slechts gedeeltelijk kloppen met de werkelijkheid. Het antwoord dat men geeft, heeft weinig te maken met de vraag die werd gesteld. Het verhaal vult op wat men niet meer weet. Soms lijkt het of men met confabuleren het eigen falen tracht te bedekken.
Dementerende mensen kunnen bij een gesprek in verwarring raken. Het kan zeer verontrustend werken op een gegeven moment iets niet meer te weten. Geen wonder dat de geheugenlacunes dan soms met fantastische verhalen worden opgevuld. Het is onjuist dan te spreken van liegen of bedriegen. Het zijn hoogstens "leugentjes om bestwil", pogingen om een klein stukje zelfhandhaving te verkrijgen.
Door aan te vullen wat men niet meer weet, heeft men toch het gevoel dat de wereld compleet is en begrijpelijk. Hierdoor vermindert de angst voor het vreemde wat er met hen gebeurt.

Persevereren
Men vertelt steeds hetzelfde, men komt steeds op hetzelfde onderwerp terug. Het antwoord is steeds hetzelfde; men vraagt steeds hetzelfde.

Karakterveranderingen
Bepaalde karaktertrekken kunnen verscherpen, maar soms kan iemand ook karakterveranderingen ondergaan.

Nachtelijke onrust
Men kan 's nachts uit bed gaan, gaan rommelen of dwalen. Men zegt ook wel dat het dag(activiteit)-nacht(rust)ritme zich omkeert.

Bewustzijnsstoornissen
Bewustzijn is niet gemakkelijk te omschrijven: het is een toestand waarin de mens volledig contact heeft met de omgeving en waarbij men datgene wat er in de omgeving gebeurt, volledig tot zich door laat dringen. In het begin van een proces van dementie zijn er geen bewustzijns-stoornissen waarneembaar. Is er echter wel sprake van "sufheid" of "iets wat lijkt op bewusteloosheid" dan is er vrijwel zeker iets anders aan de hand en is nader onderzoek verstandig. Bij het voortschrijden van de dementie kan wel een zekere sufheid optreden. Meestal wordt dit voorafgegaan door een periode van traag reageren op dingen rondom de persoon.

Agressie
Agressief gedrag is een reactie van onmacht en komt vooral voor aan het begin van het dementie proces. De persoon merkt dat er iets verandert, maar kan niet begrijpen wat het is. Ook hier zijn weer twee dingen van belang:

  • toon begrip voor die boosheid, en
  • maak duidelijk dat u die agressiviteit niet kunt accepteren (niet bestraffen, maar wel afkeuring laten blijken). Niet altijd zal de boosheid en agressiviteit zich door vriendelijke woorden laten indammen. De huisarts kan dan een handje helpen door het voorschrijven van medicijnen. De andere kant van de medaille is dat dementerende mensen gemakkelijker hun behoefte aan tederheid en lichamelijk contact uiten. Vooral ook omdat de tastzintuigen als laatste goed intact blijven. Aanraken, beetpakken, liefkozen en aaien zijn daarom ook zo belangrijk.

Achterdocht
De generatie die nu oud is, heeft tijdens haar leven geleerd dat geld en sleutels belangrijke zaken zijn in het leven. Ze hebben armoede gekend en geleerd dat bezittingen (een sleutel geeft toegang tot bezittingen en ook de mogelijkheid om die bezittingen veilig achter slot en grendel te bergen) belangrijk zijn. Dus deze voorwerpen gaat de demente veilig stellen en verstopt ze op veilige plaatsen. Door de inprentingsstoornis weet hij/zij niet meer waar ze zijn.
Iemand kan zich hierdoor bedreigd voelen en geneigd zijn om een zondebok te zoeken en zo een verklaring te hebben waarom bijvoorbeeld de sleutels kwijt zijn. Dat heeft de verzorgende, zoon, dochter, echtgenoot of buurvrouw gedaan. Deze mensen ziet de dementerende het meest, of die komen direct in aanmerking met het huishouden: hebben die dan niet de gelegenheid om zoiets te doen?
 

© BTSG 2013

Disclaimer