Komt de wijsheid met de jaren?
Over intelligentie en ouder worden

In de voormalige Sovjet-unie en in China behoorden de leiders tot voor kort tot de groep ouderen. Deels kwam dat doordat zij de macht niet wilden loslaten, maar ook kwam dat doordat het beeld over ouderdom gelijk stond met wijsheid. Dit artikel gaat op dit fenomeen in met een kleine wandeling in de tijd.

In de voormalige Sovjet-Unie deed men veel moeite om een zo positief mogelijk beeld van de partijleider op te bouwen. Zo was in een Russisch weekblad te lezen dat oude mensen intelligenter zouden zijn dan jonge mensen. Het 'bewijs' hiervoor was, volgens dit blad, geleverd door Amerikaanse (!) onderzoekers. Deze hadden met hun bevindingen de onjuistheid van de theorie bewezen dat met het ouder worden het intellectueel vermogen zou afnemen. Zij zouden zelfs hebben aangetoond dat 'het intellect van ouderen in veel opzichten superieur was aan dat van jonge mensen'. De Russische burger kon dus rustig gaan slapen.
Enige tijd geleden verkondigde nog een minister van onderwijs, in een kamer debat, een vrijwel tegengesteld standpunt. Een voor hem zwaarwegend argument voor een verlaging van de pensioenleeftijd van 70 naar 65 jaar bij Nederlandse hoogleraren, was de bewering dat boven de 60 jaar 'toch geen belangrijke wetenschappelijke bijdragen meer konden worden verwacht'. Nu is het in de politiek gebruikelijk om uitspraken te doen die voor velerlei uitleg vatbaar zijn, maar mogen wij dan ook uit de opmerking concluderen dat het intellect van ouderen toch niet zo superieur is aan dat van jongeren?

Hoe ouder, hoe dommer?
Word je met het ouder worden nu dommer of juist niet? We stuiten hier op een' discussie die al enige decennia wordt gevoerd en zijn oorsprong vindt in een Amerikaans onderzoek uit de jaren 20.
De overheid had toen een aantal psychologen gevraagd een betere methode te ontwikkelen voor de selectie van mannen die geschikt zouden zijn voor een officiersopleiding. Dit resulteerde in een intelligentietest (toepasselijk de ' Army Alpha Test' genoemd) die bij mannen in de leeftijd van 20 tot 60 jaar werd afgenomen. De onderzoekers waren nogal verbaasd toen bleek dat de prestaties van mannen boven de dertig jaar slechter waren dan die van mannen onder de dertig jaar. Tevens leek het erop dat de prestaties met het toenemen van de leeftijd slechter werden. De overhaaste conclusie werd getrokken dat de intelligentie met het ouder worden klaarblijkelijk afnam: ouder worden stond gelijk met dommer worden. Deze opvatting vond bij velen ingang, zelfs toen vrij snel daarna duidelijk werd dat veel van de gevonden resultaten samenhingen met de wijze waarop het onderzoek was verricht.
De verschillen in prestaties van de diverse leeftijdsgroepen werden niet zozeer veroorzaakt doordat ouderen dommer zouden zijn dan jongeren, maar veel meer doordat de levensloop van deze leeftijdsgroepen sterk verschilde. Door op één bepaald moment bij diverse leeftijdsgroepen de intelligentie te meten hield men geen rekening met levensloopfactoren die de resultaten beïnvloedden.

1 + 1 = Druk op knop A
Een belangrijke levensloopfactor was bijvoorbeeld de opleiding. De oudere generatie had over het algemeen minder opleiding gehad dan de jongere generatie waardoor zij alleen daarom al in het nadeel waren. Tegenwoordig geldt dit nog steeds: 51% van de 65+ heeft slechts 6 jaar of minder dagonderwijs gehad.
Langere, betere en hogere opleidingen voor jongeren doen hun kennis steeds meer toenemen. Intelligentietests zijn erg toegesneden op het testen van kennis die in opleidingen wordt verworven. In plaats van te stellen dat ouderen steeds dommer worden zou het misschien beter zijn om te overwegen of jongeren niet steeds intelligenter worden. (N.B. in 2002 zijn de normen voor intelligentietest inderdaad aangepast).
Een ander punt is dat de gewenste en in de opleiding verkregen kennis met het verstrijken van de jaren verandert. Om ons te realiseren hoe groot dit verschil kan worden, hoeven we alleen maar te bedenken dat de huidige generatie ouderen, bij wijze van spreken, nog met het 'telraam' opgroeide. Jongere generaties groeiden op met de rekenliniaal, vervolgens met zakrekenmachientjes en de jongste generatie met computers. De cabaretier Fons Jansen verwoordde het in een sketch als volgt: 'Mijn zus is gezakt voor haar examen. Het batterijtje van haar rekenmachine was leeg.'

Klik op de figuur links voor meer informatie over de invloed van opleiding op de prestaties zoals gemeten met de WAIS)

Klimmers en dalers
Teneinde de invloed van generatieverschillen uit te schakelen werd het bovenvermelde onderzoek dan ook met een andere opzet herhaald. Men liet groepen mensen van verschillende leeftijden om de 7 jaar een intelligentietest invullen zodat een zuiverder uitspraak over een af- of toename van de intelligentie met de leeftijd mogelijk werd. De resultaten van dit onderzoek verschilden behoorlijk met die van het voorgaande onderzoek. Het bleek dat de beste prestaties rond het zestigste jaar werden geleverd. Daarna volgde een lichte daling, maar deze was meestal zo gering dat het niveau op 70-jarige leeftijd vaak nog steeds hoger was dan op 30-jarige leeftijd. De gehanteerde onderzoeksmethode maakte het eveneens mogelijk om verschillen tussen afzonderlijke personen op het spoor te komen. Zoals er meer en minder intelligente mensen waren, zo vond men 'dalers' (de intelligentie vertoonde op een bepaald moment, soms ook vóór het zestigste jaar, een dalende lijn) en 'klimmers' (de intelligentie bleef zeer lang een stijgende lijn vertonen). De verschillen tussen jong en oud werden ook hier gevonden: de gemiddelde prestaties van jongeren lagen hoger dan die van ouderen. Op deze wijze was aangetoond dat met het ouder worden de intelligentie niet per definitie afnam.

Leeftijdsbestendig en -onbestendig
Tot op dat moment had men echter alleen gekeken naar de intelligentie zoals die werd uitgedrukt in de intelligentiequotiënt, IQ. Een intelligentietest is echter opgebouwd uit een aantal onderdelen die ieder trachten een bepaalde intellectuele vaardigheid te meten zoals bijvoorbeeld woordenschat, rekenvaardigheid, vinden van overeenkomsten en algemene kennis.
Nadat het verloop van de scores op ieder .van deze onderdelen afzonderlijk bestudeerd was, bleek dat een aantal hiervan 'leeftijdsbestendig' (prestatie veranderde vrijwel niet) waren en andere juist met de leeftijd varieerden. Dit leidde tot een onderscheid in zogeheten 'gekristalliseerde' (bestendig) en 'fluïde' intelligentie (onbestendig).
In het eerste geval gaat het om die vaardigheden die het meest verband houden met wat iemand gedurende zijn leven aan ervaring opbouwt. Hieronder vallen bijvoorbeeld algemene ontwikkeling, kennis van de taal en woordenschat. In het tweede geval gaat het om onderdelen die samenhangen met het snel en precies omgaan met nieuwe informatie, snel kunnen omschakelen en snel kunnen combineren van gegevens. Tal van onderzoeken hebben inmiddels aangetoond dat de twee te onderscheiden vormen van intelligentie, ieder hun eigen verloop hebben.

'U heeft dertig seconden'
In het bovenstaande komt diverse malen het woord 'snel' voor. Dit is belangrijk omdat bij tal van onderdelen van een intelligentietest een tijdsdruk aanwezig is. Het gaat om prestaties verricht binnen een bepaalde tijd. Dit blijkt in het nadeel van ouderen te werken. Zij gaan bij het oplossen van problemen in het algemeen bedachtzaam te werk en zijn bij twijfel eerder geneigd geen antwoord te geven dan te gokken. Jongeren daarentegen reageren impulsiever en zijn meer geneigd bij twijfel te gokken. Dit langzamer werken en bij twijfel geen antwoord geven, hebben uiteindelijk een negatieve invloed op de prestaties van ouderen. Wanneer de tijdsdruk wordt weggenomen, presteren ouderen beduidend beter en leveren ze vergelijkbare en soms zelfs betere resultaten dan jongeren.

Rust roest
Wanneer er dus sprake is van een achteruitgang in intelligentie, dan wordt de 'fluïde' intelligentie bedoeld. De vraag die zich dan opdringt is of deze achteruitgang nu algemeen en gestadig verloopt of bijvoorbeeld meer een gevolg is van ontwenning. Een antwoord op deze vraag is nog niet gegeven ofschoon onlangs hiertoe door professor Baltes wel een voorzet is gegeven. Hij gaf namelijk aan 250 ouderen, in leeftijd variërend van 60 tot 80 jaar, een trainingsprogramma dat gericht was juist op de oefening van deze 'fluïde' intelligentie. Zowel voor als na de training werd ieders intelligentieniveau bepaald.
De prestaties op de intelligentietest bleken na de training voor vrijwel alle ouderen verbeterd te zijn. Het lijkt er dan Ook op dat geestelijk bezig blijven ervoor kan zorgen dat het intelligentieniveau tot op hoge leeftijd gehandhaafd blijft. Dit laatste is vooral van belang voor onder meer omscholings- of bijscholingscursussen voor oudere werknemers. Een daar toch nog veel gehoorde klacht is dat ouderen slechter zouden leren dan jongeren. Onvermijdelijk wijt men dit dan aan de leeftijd. Vaak echter hangen de slechtere resultaten van ouderen samen met de wijze waarop de cursus is opgezet. Het volgende voorbeeld is hiervoor illustratief.
Toen de Britse spoorwegen hun treinmachinisten wilden bijscholen, gebruikten ze twee verschillende cursusopzetten: een vooral theoretisch opgebouwde cursus en een cursus waarbij vooral gebruik werd gemaakt van practica. De prestaties van jongeren (29-39 jaar) bij de theoriecursus waren veel beter dan die van de ouderen (40-62 jaar). De prestaties van jongeren en ouderen bij de practicumcursus verschilden echter niet.

De beste levensjaren
Laten we echter weer terug gaan naar het bericht in het Russische weekblad en de opmerking van de minister. Met name bij de opmerking van de laatste is een onderzoek van Lehman uit de jaren vijftig interessant. Hij onderzocht op welke leeftijd mensen uit verschillende beroepen en wetenschappen hun kwalitatief beste werk leverden en welke levensjaren het meest productief waren.
Lehman kwam tot de conclusie dat de kwalitatief beste prestaties werden geleverd tussen de 25 en 35 jaar. Topprestaties op sportgebied werden het vroegst geleverd: rond het twintigste jaar. Natuur Wetenschappelijke prestaties daarentegen vertoonden hun hoogtepunt tussen de 26 en 30 jaar (vermeldenswaardig is nog de 'top' in het beroep van arts: dit lag in de dertig). Staatslieden en kerkelijke leiders kwamen pas na hun zestigste tot hun grootste prestaties op een leeftijd 'die gekenmerkt wordt door ervaring, levenswijsheid en aanzien'. Ook de resultaten van dit onderzoek (en u had het misschien al verwacht) zijn niet helemaal juist. Om tot optimale prestaties te kunnen komen moet de samenleving wel de kansen bieden. Dit lijkt lang niet altijd zo te zijn. Onlangs kon het dan ook gebeuren dat een bedrijf chemici van 50 jaar en ouder met vervroegd pensioen stuurde omdat de kennis van jongeren meer gericht was op de hedendaagse behoeften van het bedrijf.
Later heeft men het onderzoek van Lehman herhaald en getracht deze zogenaamde sociaal-culturele invloeden uit te sluiten. Uit de resultaten kon worden geconcludeerd dat noch de kwaliteit noch de kwantiteit van het wetenschappelijk werk met de leeftijd afnam.

Klik voor meer informatie over de relatie aard van topprestaties en leeftijd op de figuur links

De wijsheid komt toch met de jaren?
Wij kunnen dus concluderen dat met het ouder worden de intelligentie niet hoeft af te nemen. Toch blijkt uit het voorbeeld van de chemici dat kennis belangrijk is en dat deze snel veroudert. Ouderen raken door tal van snelle nieuwe ontwikkelingen 'achterop'. Er wordt in onze tijd vooral een beroep gedaan op de 'fluïde' intelligentie en jongeren zijn dan in het voordeel. In een ander opzicht zijn ouderen echter in het voordeel namelijk in datgene wat levenservaring of levenswijsheid wordt genoemd. Wat is dat eigenlijk?
In het oude Griekenland was de wijsheid (sofia) aanvankelijk sterk praktisch gericht. Hiermee werd een specifieke kundigheid of de vaardigheid in een bepaald handwerk bedoeld. Later werd het meer gebruikt om aan te geven dat iemand levenservaring had. Een wijze was iemand die begrijpend was, belerend optrad, veel aanvoelde en iemand die om raad kon worden gevraagd. Kortom een wijze was het toonbeeld van inzicht en rust.
Wijsheid lijkt andere kenmerken te hebben dan intelligentie. Intelligentie wijst meer op het vermogen tot logisch denken en heeft betrekking op kennis omtrent het hoe van het verrichten van taken. Wijsheid daarentegen kenmerkt zich door een inzicht in de menselijke aard en door een vermogen om de consequenties van daden (of het nalaten daarvan) te overzien.
Wellicht het bekendste voorbeeld van wijsheid kennen we van Salomo. Om een onenigheid omtrent het moederschap over een kind te beslechten zei hij dat de beste oplossing zou zijn het kind maar in tweeën te snijden zodat ieder dan een half kind had. Vanuit het oogpunt van intelligentie kunnen we deze oplossing verre van rationeel noemen en, ervan uitgaande dat het doel was het kind in leven te laten, paradoxaal. Dit Salomonsoordeel (ongeveer 2900 jaar geleden) beschouwen we echter ook nu nog als een wijs oordeel. Wijsheid lijkt in tegenstelling tot intelligentie dan ook tijdloos te zijn en betrekking te hebben op kennis omtrent universele kenmerken die in ieder mens aanwezig zijn. Onderzoek naar wijsheid en de ontwikkeling hiervan in de levensloop, is vrijwel nog niet verricht en juist in de ouderdom zou dit belangrijk kunnen zijn.
De psycholoog Erikson is een van de weinigen die in wijsheid een stadium van ontwikkeling zien. Dat wil zeggen als een ontwikkelingsstadium dat een mens kan bereiken. Interessant is het dan te constateren dat hij wijsheid als het laatste ontwikkelingsstadium ziet. Juist voor de bestudering van het begrip intelligentie gedurende de levensloop zou de wijsheid wel eens een belangrijk (maar tot op heden verwaarloosd) terrein kunnen zijn.

Terug naar af?
Zowel het artikel in het Russische weekblad als de opmerking van de minister bevatten dus waarheden. Dat we niet tot een echte uitspraak komen omtrent het gelijk hangt samen met het probleem dat intelligentie op zich vormt. Nog steeds kan niemand u of mij vertellen wat intelligentie nu precies is, laat staan hoe je het dan meet. Duidelijk is inmiddels wel geworden dat het denken hierover te simpel is geweest.
Legde men aanvankelijk vooral de nadruk op datgene wat aan alle vormen van intellectueel bezig zijn gemeenschappelijk is (zoals het eendimensionale denken bij het IQ), later is men steeds meer onafhankelijke componenten gaan onderscheiden. Een voorbeeld van dit laatste is het intelligentiemodel van Guilford. Dit complexe model kent drie dimensies namelijk 'operaties', 'inhouden' en 'producten'.
Onder ‘operaties’ wordt datgene verstaan wat men met de informatie kan doen, onder ‘inhouden’ de vorm waarin de informatie zich aan de persoon voordoet en onder ‘producten’ de vorm die de aangeboden informatie aanneemt na in het intellectueel proces verwerkt te zijn. Elk van deze dimensies is weer onderverdeeld in een minimum aantal categorieën dat nodig is om alle aspecten van de intelligentie te beschrijven. De grondslag voor dit model is dat intelligent gedrag kan worden gezien als een operatie op een inhoud hetgeen uiteindelijk een product oplevert. Het model resulteert in 120 (!) te onderscheiden vormen van intellectueel gedrag. Het stadium waarin intelligentie werd gedefinieerd als 'datgene wat een intelligentietest meet', zijn we gepasseerd

Klik voor meer informatie over het model van Guilford links op de figuur

Literatuur

  • Buyssen, H.; Ideeën over ouderen: feiten tegenover mythen. Ouderen en Wetenschap. Deel 3. Publicatie van NFB/NIG, 1984.
  • Clayton, V.; Erikson's Theory of Human Development as it Applies to the Aged: Wisdom as Contradictive Cognition. Human Development, 18, 119-128, 1975.
  • Clayton, V.; Wisdom and Intelligence: The Nature and Function of Knowledge in the Later Years. Int. Journal of Aging and Human Development, vol. 15,315-321,1982.
  • Diesfeldt, H.; Te oud om te leren? Cahiers ouderdom en levensloop, deel 9. Van Loghum Slaterus, 1978.
  • Lehr, U.; Psychologie van ouderdom. Van Loghum S/aterus, 1980.
  • Munnichs, l.M.A.; Bouwstenen voor een sociale gerontologie. Dekker & van de Vegt, 1972.

Ron van Wijhe, BTSG
Dit artikel is verschenen in het tijdschrift Arts & Wereld in 1985

Aanverwante onderwerpen: IQ, intelligentietests, wijsheid
Andere onderwerpen? Bezoek onze bibliotheek.

BTSG innovatie in ouderenzorg. Postbus 1329, 6501 BH Nijmegen.