Komt de wijsheid met de jaren?
|
![]() |
Klik op de figuur links voor meer informatie over de invloed van opleiding op de prestaties zoals gemeten met de WAIS) |
Klimmers en dalers
Teneinde de invloed van generatieverschillen
uit te schakelen werd het bovenvermelde onderzoek dan ook met een andere opzet
herhaald. Men liet groepen mensen van verschillende leeftijden om de 7 jaar een
intelligentietest invullen zodat een zuiverder uitspraak over een af- of toename
van de intelligentie met de leeftijd mogelijk werd. De resultaten van dit
onderzoek verschilden behoorlijk met die van het voorgaande onderzoek. Het bleek
dat de beste prestaties rond het zestigste jaar werden geleverd. Daarna volgde
een lichte daling, maar deze was meestal zo gering dat het niveau op 70-jarige
leeftijd vaak nog steeds hoger was dan op 30-jarige leeftijd. De gehanteerde
onderzoeksmethode maakte het eveneens mogelijk om verschillen tussen
afzonderlijke personen op het spoor te komen. Zoals er meer en minder
intelligente mensen waren, zo vond men 'dalers' (de intelligentie vertoonde op
een bepaald moment, soms ook vóór het zestigste jaar, een dalende lijn) en
'klimmers' (de intelligentie bleef zeer lang een stijgende lijn vertonen).
De verschillen tussen jong en oud werden ook hier gevonden: de gemiddelde
prestaties van jongeren lagen hoger dan die van ouderen. Op deze wijze was
aangetoond dat met het ouder worden de intelligentie niet per definitie afnam.
Leeftijdsbestendig en -onbestendig
Tot op dat moment had men echter alleen
gekeken naar de intelligentie zoals die werd uitgedrukt in de
intelligentiequotiënt, IQ. Een
intelligentietest is echter opgebouwd uit
een aantal onderdelen die ieder trachten een bepaalde intellectuele vaardigheid
te meten zoals bijvoorbeeld woordenschat, rekenvaardigheid, vinden van
overeenkomsten en algemene kennis.
Nadat het verloop van de scores op ieder .van deze onderdelen afzonderlijk
bestudeerd was, bleek dat een aantal hiervan 'leeftijdsbestendig' (prestatie
veranderde vrijwel niet) waren en andere juist met de leeftijd varieerden.
Dit leidde tot een onderscheid in zogeheten 'gekristalliseerde'
(bestendig) en 'fluïde' intelligentie (onbestendig).
In het eerste geval gaat het om die vaardigheden die het meest verband houden
met wat iemand gedurende zijn leven aan ervaring opbouwt. Hieronder vallen
bijvoorbeeld algemene ontwikkeling, kennis van de taal en woordenschat. In het
tweede geval gaat het om onderdelen die samenhangen met het snel en precies
omgaan met nieuwe informatie, snel kunnen omschakelen en snel kunnen combineren
van gegevens. Tal van onderzoeken hebben inmiddels aangetoond dat de twee te
onderscheiden vormen van intelligentie, ieder hun eigen verloop hebben.
'U heeft dertig seconden'
In het bovenstaande komt diverse malen het
woord 'snel' voor. Dit is belangrijk omdat bij tal van onderdelen van een
intelligentietest een tijdsdruk aanwezig is. Het gaat om prestaties verricht
binnen een bepaalde tijd. Dit blijkt in het nadeel van ouderen te werken. Zij
gaan bij het oplossen van problemen in het algemeen bedachtzaam te werk en zijn
bij twijfel eerder geneigd geen antwoord te geven dan te gokken. Jongeren
daarentegen reageren impulsiever en zijn meer geneigd bij twijfel te gokken. Dit
langzamer werken en bij twijfel geen antwoord geven, hebben uiteindelijk een
negatieve invloed op de prestaties van ouderen. Wanneer de tijdsdruk wordt
weggenomen, presteren ouderen beduidend beter en leveren ze vergelijkbare en
soms zelfs betere resultaten dan jongeren.
Rust roest
Wanneer er dus sprake is van een achteruitgang
in intelligentie, dan wordt de 'fluïde' intelligentie bedoeld. De vraag die zich
dan opdringt is of deze achteruitgang nu algemeen en gestadig verloopt of
bijvoorbeeld meer een gevolg is van ontwenning. Een antwoord op deze vraag is nog
niet gegeven ofschoon onlangs hiertoe door professor Baltes wel een voorzet is
gegeven. Hij gaf namelijk aan 250 ouderen, in leeftijd variërend van 60 tot 80
jaar, een trainingsprogramma dat gericht was juist op de oefening van deze
'fluïde' intelligentie. Zowel voor als na de training werd ieders
intelligentieniveau bepaald.
De prestaties op de intelligentietest bleken na de training voor vrijwel alle
ouderen verbeterd te zijn. Het lijkt er dan Ook op dat geestelijk bezig blijven
ervoor kan zorgen dat het intelligentieniveau tot op hoge leeftijd gehandhaafd
blijft. Dit laatste is vooral van belang voor onder meer omscholings- of
bijscholingscursussen voor oudere werknemers. Een daar toch nog veel gehoorde
klacht is dat ouderen slechter zouden leren dan jongeren. Onvermijdelijk wijt
men dit dan aan de leeftijd. Vaak echter hangen de slechtere resultaten van
ouderen samen met de wijze waarop de cursus is opgezet. Het volgende voorbeeld
is hiervoor illustratief.
Toen de Britse spoorwegen hun treinmachinisten wilden bijscholen, gebruikten ze
twee verschillende cursusopzetten: een vooral theoretisch opgebouwde cursus en
een cursus waarbij vooral gebruik werd gemaakt van practica. De prestaties van
jongeren (29-39 jaar) bij de theoriecursus waren veel beter dan die van de
ouderen (40-62 jaar). De prestaties van jongeren en ouderen bij de
practicumcursus verschilden echter niet.
De beste levensjaren
Laten we echter weer terug gaan naar het
bericht in het Russische weekblad en de opmerking van de minister. Met name bij
de opmerking van de laatste is een onderzoek van Lehman uit de jaren vijftig
interessant. Hij onderzocht op welke leeftijd mensen uit verschillende beroepen
en wetenschappen hun kwalitatief beste werk leverden en welke levensjaren het
meest productief waren.
Lehman kwam tot de conclusie dat de kwalitatief beste prestaties werden geleverd
tussen de 25 en 35 jaar. Topprestaties op sportgebied werden het vroegst
geleverd: rond het twintigste jaar. Natuur Wetenschappelijke prestaties
daarentegen vertoonden hun hoogtepunt tussen de 26 en 30 jaar (vermeldenswaardig
is nog de 'top' in het beroep van arts: dit lag in de dertig). Staatslieden en
kerkelijke leiders kwamen pas na hun zestigste tot hun grootste prestaties op
een leeftijd 'die gekenmerkt wordt door ervaring, levenswijsheid en aanzien'.
Ook de resultaten van dit onderzoek (en u had het misschien al verwacht) zijn
niet helemaal juist. Om tot optimale prestaties te kunnen komen moet de
samenleving wel de kansen bieden. Dit lijkt lang niet altijd zo te zijn. Onlangs
kon het dan ook gebeuren dat een bedrijf chemici van 50 jaar en ouder met
vervroegd pensioen stuurde omdat de kennis van jongeren meer gericht was op de
hedendaagse behoeften van het bedrijf.
Later heeft men het onderzoek van Lehman herhaald en
getracht deze zogenaamde sociaal-culturele invloeden uit te sluiten. Uit de
resultaten kon worden geconcludeerd dat noch de kwaliteit noch de kwantiteit van
het wetenschappelijk werk met de leeftijd afnam.
![]() |
Klik voor meer informatie over de relatie aard van topprestaties en leeftijd op de figuur links |
De wijsheid komt toch met de jaren?
Wij kunnen dus concluderen dat met het
ouder worden de intelligentie niet hoeft af te nemen. Toch blijkt uit het
voorbeeld van de chemici dat kennis belangrijk is en dat deze snel veroudert.
Ouderen raken door tal van snelle nieuwe ontwikkelingen 'achterop'. Er wordt in
onze tijd vooral een beroep gedaan op de 'fluïde' intelligentie en jongeren zijn
dan in het voordeel. In een ander opzicht zijn ouderen echter in het voordeel
namelijk in datgene wat levenservaring of levenswijsheid wordt genoemd. Wat is
dat eigenlijk?
In het oude Griekenland was de wijsheid (sofia) aanvankelijk sterk praktisch
gericht. Hiermee werd een specifieke kundigheid of de vaardigheid in een bepaald
handwerk bedoeld. Later werd het meer gebruikt om aan te geven dat iemand
levenservaring had. Een wijze was iemand die begrijpend was, belerend optrad,
veel aanvoelde en iemand die om raad kon worden gevraagd. Kortom een wijze was
het toonbeeld van inzicht en rust.
Wijsheid lijkt andere kenmerken te hebben dan intelligentie. Intelligentie wijst
meer op het vermogen tot logisch denken en heeft betrekking op kennis omtrent
het hoe van het verrichten van taken. Wijsheid daarentegen kenmerkt zich door
een inzicht in de menselijke aard en door een vermogen om de consequenties van
daden (of het nalaten daarvan) te overzien.
Wellicht het bekendste voorbeeld van wijsheid kennen we van Salomo. Om een
onenigheid omtrent het moederschap over een kind te beslechten zei hij dat de
beste oplossing zou zijn het kind maar in tweeën te snijden zodat ieder dan een
half kind had. Vanuit het oogpunt van intelligentie kunnen we deze oplossing
verre van rationeel noemen en, ervan uitgaande dat het doel was het kind in
leven te laten, paradoxaal. Dit Salomonsoordeel (ongeveer 2900 jaar geleden)
beschouwen we echter ook nu nog als een wijs oordeel. Wijsheid lijkt in
tegenstelling tot intelligentie dan ook tijdloos te zijn en betrekking te hebben
op kennis omtrent universele kenmerken die in ieder mens aanwezig zijn.
Onderzoek naar wijsheid en de ontwikkeling hiervan in de levensloop, is vrijwel
nog niet verricht en juist in de ouderdom zou dit belangrijk kunnen zijn.
De psycholoog Erikson is een van de weinigen die in wijsheid een stadium van
ontwikkeling zien. Dat wil zeggen als een ontwikkelingsstadium dat een mens kan
bereiken. Interessant is het dan te constateren dat hij wijsheid als het laatste
ontwikkelingsstadium ziet. Juist voor de bestudering van het begrip
intelligentie gedurende de levensloop zou de wijsheid wel eens een belangrijk
(maar tot op heden verwaarloosd) terrein kunnen zijn.
Terug naar af?
Zowel het artikel in het Russische weekblad als
de opmerking van de minister bevatten dus waarheden. Dat we niet tot een echte
uitspraak komen omtrent het gelijk hangt samen met het probleem dat
intelligentie op zich vormt. Nog steeds kan niemand u of mij vertellen wat
intelligentie nu precies is, laat staan hoe je het dan meet. Duidelijk is
inmiddels wel geworden dat het denken hierover te simpel is geweest.
Legde men aanvankelijk vooral de nadruk op datgene wat aan alle vormen van
intellectueel bezig zijn gemeenschappelijk is (zoals het eendimensionale denken
bij het IQ), later is men steeds meer onafhankelijke componenten gaan
onderscheiden. Een voorbeeld van dit laatste is het intelligentiemodel van
Guilford. Dit complexe model kent drie dimensies namelijk 'operaties',
'inhouden' en 'producten'.
Onder ‘operaties’ wordt datgene verstaan wat men met de informatie kan doen,
onder ‘inhouden’ de vorm waarin de informatie zich aan de persoon voordoet en
onder ‘producten’ de vorm die de aangeboden informatie aanneemt na in het
intellectueel proces verwerkt te zijn. Elk van deze dimensies is weer
onderverdeeld in een minimum aantal categorieën dat nodig is om alle aspecten
van de intelligentie te beschrijven. De grondslag voor dit model is dat
intelligent gedrag kan worden gezien als een operatie op een inhoud hetgeen
uiteindelijk een product oplevert. Het model resulteert in 120 (!) te
onderscheiden vormen van intellectueel gedrag. Het stadium waarin intelligentie
werd gedefinieerd als 'datgene wat een intelligentietest meet', zijn we
gepasseerd
![]() |
Klik voor meer informatie over het model van Guilford links op de figuur |
Literatuur
Ron van Wijhe, BTSG
Dit artikel is verschenen in het tijdschrift Arts & Wereld in 1985
Aanverwante onderwerpen: IQ,
intelligentietests,
wijsheid
Andere onderwerpen? Bezoek onze
bibliotheek.
BTSG innovatie in ouderenzorg. Postbus 1329, 6501 BH Nijmegen.