De ziekte van Parkinson
De ziekte van
Parkinson, in 1817 voor het eerst beschreven door de Engelse arts James Parkinson - vandaar ook de naam -, komt gemiddeld bij één tot twee per
duizend mensen voor ( 1 à 2 promille) en ontstaat vaak op latere leeftijd.
In Nederland ging het in 2007 om ruim 26.000 mensen (Bron:
Nationaal Kompas Volksgezondheid).
Meestal worden de
eerste verschijnselen pas zichtbaar na het vijftigste levensjaar. In 10%
van de gevallen al voor het veertigste jaar. Bij mannen komt de ziekte
iets vaker voor dan bij vrouwen, maar een groot verschil is er niet. Op
hoge leeftijd komt de ziekte iets vaker voor, namelijk bij ongeveer één op
de honderd ouderen.
In geïndustrialiseerde
landen komt de ziekte bij ouderen vaker voor dan in de derde wereld.
Sinds de jaren vijftig neemt het aantal patiënten in het Westen sterk toe.
Dat zou voor de theorie kunnen pleiten dat er schadelijke invloeden vanuit
de omgeving kunnen zijn die Parkinson bij daarvoor gevoelige mensen kunnen
bevorderen. Echte harde bewijzen zijn daarvoor niet gevonden.
Eerste verschijnselen
De eerste uitingen van
de ziekte van Parkinson zijn in de regel zo gering en onduidelijk, dat in
de beginfase zelden aan Parkinson wordt gedacht. Het kan beginnen met een
lichte beving van een van de handen. Dat wil wel eens gebeuren op
emotionele momenten, bijvoorbeeld na een ongeval, bij een begrafenis of
een huwelijk. Dat er dan een relatie met de gebeurtenis wordt gelegd, ligt
voor de hand, aan Parkinson wordt dan zelden gedacht.
De eerste
verschijnselen kunnen ook bestaan uit stijfheid van enkele spieren of
krachtsverlies, bijvoorbeeld in de arm. Die arm kan 'zwaar' aanvoelen,
moeilijk op te heffen zijn, of pijnlijk zijn. Vaak wordt dan aan
reumatische aandoeningen gedacht. Ook kunnen vreemde tintelingen aan één
kant van het lichaam of een vreemd gevoel van warmte in een been optreden.
Ook dat is uiteraard niet iets, waarbij meteen aan de ziekte van Parkinson
wordt gedacht. Verder kunnen de eerste klachten bestaan uit het moeilijker
uitvoeren van bepaalde handelingen zoals schrijven, handwerken, aan- en
uitkleden.
Verloop
De ziekte van
Parkinson verloopt geleidelijk en progressief. Het tempo waarin de
klachten verergeren verschilt van patiënt tot patiënt. In de regel
verloopt het vrij traag. Er kan zelfs ogenschijnlijk een lange tijd een
soort stilstand zijn, waarbij de klachten niet merkbaar verergeren. Bij
ongeveer 15% van de patiënten blijft de ziekte soms wel meer dan tien of
twintig jaar stabiel.
Een plotselinge en
snelle achteruitgang past niet bij het normale verloop van de ziekte van
Parkinson. Wanneer dat toch gebeurt, is er iets bijzonders aan de hand. Er
kan dan sprake zijn van een andere, bijkomende, ziekte. Het is ook
mogelijk dat de persoon in kwestie niet goed reageert op de gebruikte
medicijnen.
Oorzaak
De oorzaak is nog niet
precies bekend. Wel is bekend dat er een afbraakproces optreedt van met
name zenuwcellen in
een gebied van de middenhersenen: de
substantia nigra. Dit deel van de
hersenen is van groot belang voor het soepel laten verlopen van
(spier)bewegingen en de coördinatie. Door het ziekteproces wordt er hier
op een of andere manier onvoldoende dopamine aangemaakt. Dopamine is een
stof die nodig is om zenuwimpulsen van de ene zenuwcel op de andere over
te brengen. De oorzaak van deze verminderde productie is nog steeds niet
bekend. Bekijk het
Engelstalige filmpje.
Er zijn geen factoren
bekend die het risico van het optreden van Parkinson bevorderen. Er is
geen aantoonbaar verband met het beroep dat iemand uitoefent, noch met
voeding, het gebruik van alcohol of het hebben van stress. Ook is
erfelijkheid niet vastgesteld. Het kan dus iedereen overkomen.
In sommige gevallen is
de oorzaak van Parkinsonachtige verschijnselen wel bekend.
Bijvoorbeeld een beschadiging als gevolg van een zware hersenschudding of
een hersenontsteking (encefalitis). Ook vergiftigingen met zware metalen
(zoals kwik, cadmium, mangaan en lood), bestrijdingsmiddelen (tegen
onkruid of insecten) of koolmonoxyde kunnen leiden tot beschadigingen van
de hersenstam en dus tot gevolg hebben.
Ook sommige medicijnen (neuroleptica) kunnen een dergelijk negatief effect
hebben.
Verschijnselen
Beven (tremor)
Het beven is misschien
wel het meest opvallende verschijnsel van Parkinson. Daarmee is het,
althans voor de buitenstaanders, het bekendste verschijnsel van deze
ziekte geworden. Geheel buiten de wil om treedt een ritmische beving van
een aantal spieren op, meestal van één of beide handen. Het duidelijkst is het
beven wanneer de handen ontspannen zijn en niet ergens voor gebruikt
worden. Dit wordt rusttremor genoemd. Zodra de hand een doelgerichte
beweging gaat maken verdwijnt of vermindert het beven. Tijdens de slaap is
het beven niet aanwezig. Onder invloed van emoties kan het beven
verergeren.
Hoewel het beven het
meest in het oog springende verschijnsel is, heeft niet iedere
Parkinsonpatiënt er last van. In ongeveer één op drie gevallen is er geen
tremor. Er is dan alleen sprake van spierstijfheid en trage bewegingen.
Spierstijfheid (rigiditeit)
Aanvankelijk beperkt
de stijfheid zich voornamelijk tot de spieren van de ledematen, vooral de
armen. De armen zijn dan stijf en voelen zwaar aan. Later breidt de
stijfheid zich uit tot de andere spieren van het lichaam.
Die stijfheid ontstaat
doordat de spieren voortdurend een beetje aangespannen zijn. Voordat een
beweging kan plaatsvinden moet die stijfheid eerst overwonnen worden. Dat
kost tijd en energie. Dit betekent dat de beweging traag op gang komt en
dat het vaak veel moeite kost om iets te doen dat anders zo gemakkelijk
ligt.
Met die stijfheid
hangt ook de vrij kenmerkende houding van de Parkinsonpatiënt samen: een
stramme en voorovergebogen houding en lopen met schuifelende en kleine
pasjes.
De spierstijfheid kan
ervaren worden als spierzwakte. Dit is echter niet zo. Een beweging moet
bewuster uitgevoerd worden en kost meer moeite, aangezien eerst de
stijfheid overwonnen moet worden. Ook is er sprake van een verminderd
uithoudingsvermogen waardoor de vermoeidheid sneller kan toeslaan.
Bewegingstraagheid (hypokinesie)
Een belangrijk gevolg
van de spierstijfheid is de bewegingstraagheid, ook wel hypokinesie
genoemd. Deze beïnvloedt een groot aantal alledaagse bewegingen en is
samen met de spierstijfheid ook verantwoordelijk voor de kenmerkende
houding van de patiënt.
De traagheid gaat een
belemmering vormen bij het uitvoeren van gewone dagelijkse handelingen.
Eten en aankleden gaan bijvoorbeeld steeds meer tijd in beslag nemen. De
bewegingen die normaal automatisch worden verricht, moeten nu allemaal als
doelbewuste en aparte bewegingen worden uitgevoerd. Kleine en fijne
bewegingen zijn het moeilijkst zoals het los- of vastmaken van kleine
knoopjes, het omdoen van een das, het vastmaken van een beha-sluiting of
het strikken van schoenveters.
Heen-en-weer
bewegingen worden ook moeilijker bijvoorbeeld het roeren in een pan, het
hanteren van een schroevendraaier, het opwinden van een horloge of het
strijken van wasgoed.
Door de
voorovergebogen houding kan het speeksel zich voor in de mond verzamelen
en uit de mond lopen ("kwijlen"). Dat kan zeer vervelend zijn en een
sociale handicap vormen. Door een stoel te kiezen, waarbij het hoofd wat
meer achterover leunt en door bijvoorbeeld de televisie wat hoger te
plaatsen, zodat men het hoofd wat naar achteren moet houden, neemt de kans
op kwijlen af. Het komt echter ook
voor dat de vorming van speeksel bij de ziekte van Parkinson juist minder
wordt. Er kunnen zelfs klachten over een droge mond ontstaan.
Veranderingen aan de huid
De functie van de
talg- en zweetklieren kan verstoord raken. Dat kan dan leiden tot een
toenemende productie van huidsmeer, waardoor vooral de gezichtshuid
opvallend vet kan zijn. Ook kunnen er klachten zijn over een toenemende
transpiratie. Het omgekeerde (een afgenomen of geheel afwezige
transpiratie) is echter ook mogelijk.
Oogklachten
De werking van de
oogspieren, die de ogen in alle richtingen moeten draaien, raakt bij de
ziekte van Parkinson een beetje gestoord. Vooral het dichtbij zien
(bijvoorbeeld om te lezen) wordt dan moeilijker. Het beeld wordt wat wazig
of men gaat dubbelzien. Een leesbril kan dit probleem oplossen.
Doordat het knipperen
met de ogen afneemt, bestaat de kans dat de ogen gaan uitdrogen. Oogknipperen
is namelijk nodig om het traanvocht regelmatig over de oogbol te
verdelen. Te droge ogen kunnen makkelijk ontsteken of geïrriteerd raken.
Druppelen met 'kunsttranen' (methylcellulose-oogdruppels) kan helpen.
Darm- en blaaswerking
Obstipatie
(constipatie, trage stoelgang) is een veel voorkomende klacht. De spieren
van de dikke darm worden, net als andere spieren, trager in hun werking.
Het slijmvlies van de dikke darm krijgt daardoor langer de gelegenheid
vocht aan de ontlasting te onttrekken. Zorgdragen voor een goede stoelgang
is dan ook erg belangrijk. Een vezelrijk dieet is een probaat middel.
Ook de blaasspier kan
zich minder snel en minder krachtig samentrekken. Dat betekent dat de
urinelozing minder snel op gang komt en al weer kan ophouden voordat de
blaas helemaal leeg is. Daarnaast kan de blaasspier zich moeilijker
ontspannen, zodat men eerder aandrang krijgt. Het gevolg van dit alles is
dat men vaker naar het toilet moet, langzamer plast en per keer kleinere
hoeveelheden uitplast.
Vermoeidheid
Doordat veel spieren
continu aangespannen zijn, wordt er veel energie verbruikt. Ook het
uitvoeren van 'gewone' bewegingen kost meer energie dan bij gezonde
mensen. Het spreekt vanzelf dat men door het grotere energieverbruik
sneller vermoeid raakt.
Stemming
Bij de meeste klachten
en ziekten spelen stemming en emotie een grote rol. Het is niet zozeer dat
de klacht of de ziekte oorzaak van de stemmingsverandering is, maar veel
meer de manier waarop men het hebben van de klacht of ziekte verwerkt. De
wetenschap dat men lijdend is aan een chronische ziekte zoals Parkinson,
kan depressiviteit veroorzaken. De toenemende hulpbehoevendheid en daarmee
de afhankelijkheid van anderen kan de stemming ook negatief beïnvloeden.
Angst voor een nog verdere achteruitgang kan voor extra ongerustheid
zorgen. Het gevoel van eigenwaarde kan aangetast worden als gevolg van
schaamte voor eigen functioneren en bewegen.
Behandeling
Er bestaan geen
medicijnen of behandelingsmethoden, waarmee de ziekte van Parkinson
genezen kan worden. De behandeling richt zich op het zo veel mogelijk
wegnemen van de klachten. Medicijnen om de afwijkingen in de hersenen
weg te nemen of om het ziekteproces daar tot stilstand te brengen, zijn er
op dit moment nog niet. Voorlopig richt de
behandeling met medicijnen (Levadopa) zich op het aanvullen van o.a. dopaminetekorten
in de hersenen. Het is meestal niet
haalbaar om alle verschijnselen met medicatie geheel te laten verdwijnen.
De dosering ervan moet dan te hoog worden ingesteld en dat zal vroeg of
laat tot het ontstaan van bijwerkingen kunnen leiden. Er zullen in de
regel dus enkele restverschijnselen blijven bestaan. Het is beter dit te
accepteren dan de risico's van een te hoge dosering te nemen.
Het soepel houden van
de spieren en gewrichten is zeer belangrijk. Iedereen met Parkinson hoort
dan ook door een fysiotherapeut of andere oefentherapeut behandeld te
worden. Het is dan niet de bedoeling om ingewikkelde bewegingen te gaan
oefenen. Het doel is om handelingen die in het dagelijks leven moeilijk
verlopen - zoals in en uit bed komen, opstaan uit een stoel, lopen en zich
omdraaien - te verbeteren door ze regelmatig te oefenen.
Wanneer de dagelijkse
bezigheden in huis problemen gaan opleveren, kan het zinvol zijn om
huishoudelijke handelingen te gaan oefenen. Dit heet ergotherapie. De
ergotherapeut kan adviezen geven over de mogelijke oplossingen van
allerlei thuis optredende problemen.
Omgang
Iedereen die Parkinson
heeft zal tijdens de eerste maanden regelmatige agressieve gevoelens
kunnen krijgen ten opzichte van zijn ziekte, zich schamen voor zijn
uiterlijk, zich proberen te verstoppen en zich terugtrekken uit het
sociale leven. Soms duurt het jaren
voordat er zoiets als 'acceptatie' of 'berusting' komt. Dat hangt sterk af
van iemands persoonlijkheid. Maar ook van de manier waarop de directe
omgeving er mee om gaat.
Laat de patiënt
zoveel mogelijk zelf te laten doen. Het is verleidelijk om te helpen
omdat het dan sneller gaat. Maar zoveel mogelijk zelf doen betekent dat
die vaardigheid zo lang mogelijk behouden blijft. Geef aan dat je
bereid bent om te helpen. Geef pas daadwerkelijk hulp wanneer er om
gevraagd wordt.
Stimuleer de patiënt datgene te doen wat mogelijk is. Overdrijf niet, maar
accepteer dat de patiënt bepaalde dingen echt niet meer kan. Stimuleer
hem of haar niet tot het doen van dingen die boven zijn of haar macht
liggen. Geef de patiënt voldoende
tijd om een bepaalde handeling uit te voeren.
Geef de patiënt voldoende
tijd om uit te praten. Ga niet halverwege een zin zelf de rest
van de zin aanvullen. Wanneer
u iets niet goed hebt verstaan, vraag dan om het nog eens te herhalen.
Herhaal wanneer u een deel wel hebt verstaan, wat u wel hebt begrepen,
opdat niet alles opnieuw gezegd hoeft te worden.
Andere maatregelen
De belangrijkste
veranderingen of aanpassingen in huis richten zich op het voorkomen van
ongelukken en op het makkelijker maken van de dagelijkse
routinehandelingen:
- Het voorkomen van vallen.
Gladde vloeren en
losse kleedjes en dergelijke zijn gevaarlijk. Zorg bij de indeling van
de kamer dat er een goede en brede loopruimte is. Bij het voorkomen van
valpartijen moet ook gekeken worden naar de schoenen: geen schoenen met
zolen die - bij het schuifelen - aan de vloer "kleven".
- Slapen.
Omdraaien in bed gaat gemakkelijker op een hard en vlak matras en gladde
nylonlakens. Ook het gebruik van een dekbed in plaats van dekens wil wel
eens helpen.
- Koken, eten en drinken.
Richt de keuken zo in dat de vaak gebruikte spullen op normale stahoogte
bereikbaar zijn en dat niet telkens gebukt moet worden. Koffie en thee
drinken gaat soms gemakkelijker uit (smalle) hoge kopjes dan uit wijde
kopjes. Het eten van een bord met een stroeve onderkant is vaak
gemakkelijker. Het wegschuiven van een bord kan ook worden tegengegaan
door er een stroeve placemat onder te leggen. Dikke handvatten geven een
betere grip aan het bestek.
- Lichaamsgewicht.
Wanneer men te zwaar is zal vermageren een grote verbetering in de
bewegingsmogelijkheden kunnen geven.
- Gezond leven.
Een goede algemene weerstand is van groot belang. Bij een bijkomende
ziekte, zoals griep of verkoudheid, worden de Parkinsonverschijnselen
in de regel wat erger. Bovendien duurt de genezing van die bijkomende
ziekten langer dan normaal en kunnen er gemakkelijk complicaties
optreden. Zo kan een griep bij Parkinsonpatiënten gemakkelijker
uitlopen op een longontsteking.
Literatuur
Braam, W. en Brunt, E. Spieren in de vertraging, 2008.
Braam, W. De ziekte van Parkinson. Kampen, 1990
Krans, J. e.a. Al uw vragen over de ziekte van Parkinson. Utrecht: 1989.
Website:
www.parkinson-vereniging.nl
Meer weten? Bezoek onze
bibliotheek.
BTSG innovatie in ouderenzorg. Postbus 1329, 6501 BH Nijmegen.
|