Visie op zorg is visie op ouder worden

Binnen de gerontologie worden drie beelden onderscheiden die mede bepalend zijn voor het beeld dat er over het ouder worden bestaat. Van oud en versleten, naar actief of rustend. Een dergelijk beeld speelt een rol bij de visie van een zorginstelling.

Deficit-model
De visie op zorg hangt samen met een visie op ouderen en ouder worden in het algemeen. Lange tijd werd naar ouderen gekeken volgens het zogenaamde "deficit-model". Volgens dit model ontwikkelt de levensloop zich als volgt: toenemende kennis en vaardigheden in de jeugd, het hoogtepunt ligt bij de middelbare volwassenheid en dan volgt, beginnend ergens in de ouderdom, achteruitgang.
Deze opvatting schildert een negatief beeld van ouderdom en ouder worden: ouderen zijn incompetent, lichamelijk zwak, intellectueel 'aftakelend', conservatief en afhankelijk. De visie op zorg die op dit beeld aansluit, is dat de zorg in zijn geheel moet worden overgenomen.
In veel zorginstellingen heeft een omslag plaatsgevonden, het deficit-model werd verlaten en het "rust-roest model", het stimuleren van zelfzorg en mantelzorg, kwam er voor in de plaats.
Dit model vindt zijn wortels vooral in de latere theorievorming omtrent ouder worden en vooral omtrent gelukkig ouder worden. Hieromtrent ontstonden twee tegenover elkaar staande opvattingen: de Activiteitentheorie en de Disengagement (of onthechtings)-theorie.

Activiteitentheorie
De vertegenwoordigers van de Activiteitentheorie gaan ervan uit dat alleen diegene gelukkig en tevreden is, die actief is, iets presteert, iets betekent voor mensen die hem of haar nodig hebben. De mens die niet meer nodig is, die geen functie meer heeft in de maatschappij, wordt ongelukkig en ontevreden. Ouder worden betekent vooral "verlies", verlies van functies, taken en rollen met als gevolg beperking van de actieradius en dus toenemende inactiviteit. Vanuit deze opvatting plaatste de ouderen- en welzijnszorg activering en reactivering hoog in hun vaandel. Op allerlei wijzen probeerde men de oudere te activeren en vooral zijn sociale contacten te bevorderen.

Disengagementtheorie
Tegenover deze theorie staat de Disengagementtheorie: ouderen zoeken juist een sociaal isolement, ze willen zich graag terugtrekken en op zoek gaan naar een zekere rust. De samenleving moet ouderen dit recht gunnen en de ruimte ervoor geven. Door dit wederzijds proces van afstand nemen, wordt de persoon ontslagen van (vroegere) plichten en proeft aan - wat filosofen zouden noemen - de "absolute vrijheid". Het ingrijpen, zoals dat door het welzijnswerk wordt gedaan, wordt binnen deze visie sterk afgekeurd.

Welbevinden en stemming
Tussen deze twee visies ligt een scala aan opvattingen over ouder worden en de positie van ouderen in de samenleving. Veelal zijn het afzwakkingen of aanpassingen van een van beide standpunten.
Ouder worden is een individueel ontwikkelingsproces. Persoonlijkheid, levensloop, fysieke en sociale omstandigheden zijn daarin bepalend. Sommige ouderen zijn uiterst tevreden wanneer ze zich kunnen terugtrekken en afstand mogen nemen van het maatschappelijk bestel, terwijl anderen tot op zeer hoge leeftijd betrokken wensen te blijven bij het geheel. Ook kan het voor anderen weer een tijdelijke situatie zijn, namelijk "terugtrekken" als periode van bezinning om vervolgens weer opnieuw midden in het leven te gaan staan.
Er blijkt een belangrijke samenhang te bestaan tussen hoge activiteit en positieve stemming en welbevinden. Vermindering van sociale contacten gaat bijna altijd gepaard met negatieve belevingen, terwijl men op latere leeftijd een uitbreiding van sociale contacten als positief beleeft. Dit zou in het voordeel van de activiteitentheorie pleiten.

Het competentie-model
Vaak wordt in jaar- of beleidsplannen de volgende passage aangetroffen "... een zo groot mogelijke zelfstandigheid bevordert de eigenwaarde en maakt minder afhankelijk...". Deze "rust-roest" benadering sluit sterk aan bij de activiteitentheorie. Bewoners moeten dan ook zoveel mogelijk geactiveerd worden, zo veel mogelijk zelf doen.
Opvallend is dat bewoners het niet altijd eens zijn met dit activeringsmodel. Zij zien dat "....zelf vaak meer moeten doen...", eerder als een afname van de service. Ook de familieleden begrijpen dit niet altijd. Zij vinden dat vader en/of moeder juist naar een zorginstelling zijn gegaan om geholpen te worden.
Een model wat meer recht doet aan de individuele wensen van de bewoner is het zogenaamde competentie-model. Dit model is erop gericht naar mogelijkheden te zoeken zodat de oudere zich zo lang mogelijk volgens zijn eigen wensen in zijn eigen omgeving kan handhaven. Dit model gaat niet uit van een vast zorgaanbod maar probeert dit aan te passen aan de wensen van de oudere waarbij voorkomen moet worden dat de oudere afhankelijk wordt. Een zorgvisie gebaseerd op dit model vraagt een grotere flexibiliteit van de verzorgenden, omdat de zorgverlening bij iedere individuele bewoner aangepast zal moeten worden.

Zelfstandigheid en afhankelijkheid
Een centraal probleem in de omgang tussen bewoners en verzorgenden is het omgaan met zelfstandigheid en afhankelijkheid. Juist in zorginstellingen levert dit problemen op omdat de verschillen tussen de bewoners zo groot zijn. Voor verzorgenden is het dus nauwelijks mogelijk een algemene gedragsregel vast te stellen.
De visie van de verzorgenden is over het algemeen: de zelfstandigheid van de bewoners zoveel mogelijk bevorderen (activeringsmodel). Een aantal bewoners is het daarmee eens en doet haar best om dat zoveel mogelijk te doen, men probeert bewust niet om hulp te vragen. Andere bewoners vinden het prettig als er iets voor hen gedaan wordt. Ze vinden dat het hen te veel moeite kost. Bovendien zijn ze juist in het huis om geholpen te worden. Veel bewoners vinden dat verzorgenden niet goed hun behoefte kunnen inschatten. "..ze zijn te jong om te beseffen wat het is om oud te zijn..". Dat kan best, maar het is ook mogelijk dat bewoners zichzelf en hun mogelijkheden negatiever inschatten dan ze werkelijk zijn, dit als gevolg van hun eigen deficit-model denken. Ouderen perken zo hun eigen mogelijkheden in.

Zelfbepaling
Het uitgangspunt "bewoners zoveel mogelijk activeren" lijkt strijdig met een ander belangrijk uitgangspunt "bewoners zoveel mogelijk zelf laten kiezen". Dus zoveel mogelijk rekening houden met de wensen en behoeften van ouderen zelf. "Zelfstandigheid bevorderen" wordt vaak vertaald met "zoveel mogelijk zelf laten doen" terwijl het zelf bepalen wat men wil en kan doen een zeker zo relevante vertaling is.
De doelstelling "Zelfstandigheid zoveel mogelijk bevorderen" is dan te breed. De zorgvragen van de bewoners zijn daarvoor te divers. De doelstelling herformuleren en/of uitbreiden met "bewoners ondersteunen bij het in meer of mindere mate afhankelijk worden" kan een werkbare invalshoek zijn. Dit zou inhouden:

  • het onderkennen van de mogelijkheden en beperkingen van bewoners en vaststellen waar de grenzen liggen,
  • bewoners leren hulp en aandacht te vragen,
  • samen nagaan van welke hulpmiddelen gebruik kan worden gemaakt,
  • het leren accepteren van een zekere afhankelijkheid door beide partijen zonder zichzelf helemaal te verliezen of zich voortdurend te blijven verzetten.

Kortom duidelijk maken dat verzorgd worden en verzorgen heel prettig kan zijn, maar voor jezelf zorgen ook.

Peter van Schijndel, adviseur BTSG
Verschenen in InfoBulletin, nr. 19, september 1992.

Andere onderwerpen? Bezoek onze bibliotheek.

BTSG innovatie in ouderenzorg. Postbus 1329, 6501 BH Nijmegen.