Visies
op verplegen en verzorgen
Vrijwel alle verpleeg- en verzorgingshuizen
werken, in het kader van het leveren van cliëntgerichte zorg, met zorgplannen. Het werken met zorgplannen is een concretisering van het meer
methodisch werken. Bij de vormgeving van zorgplannen, zeker wanneer het om
geautomatiseerde zorgplannen gaat, speelt echter ook de visie op
verplegen/verzorgen een rol. Zo wordt soms uitgegaan van de visie volgens Virginia Henderson, dan weer volgens Van den Brink-Tjebbes of volgens
Dorothea Orem (en er zijn er meer!). Reden om eens kort stil te staan bij
deze drie meest bekende visies op verplegen/verzorgen.
Virginia Henderson
gaat bij haar visie uit van de functie van het verpleegkundig beroep. Deze
bestaat daaruit een individu bij te staan bij het verrichten van die taken
die bijdragen tot gezondheid of herstel en die activiteiten die het
individu zonder hulp zou verrichten als hij daartoe de nodige kracht,
wilskracht of kennis bezat. Daarbij moet de verpleegkundige proberen
tegemoet te komen aan de basisbehoeften (= bij ieder mens aanwezige) van
een individu. Het is in haar visie vooral de zorgverlener die signaleert
en bepaalt welke actie ondernomen moet worden. Dit resulteert in 14
zelfzorggebieden (zie kader).
Van den Brink-Tjebbes
gaat uit van een theorie over zelfzorg waarbij zij
stelt dat zelfzorg noodzakelijk is om zinvol te kunnen leven. Eigen
verantwoordelijkheid en een holistische mensvisie staan centraal. Indien
een individu de eigen zelfzorg niet meer kan verrichten, er is dan sprake
van een zelfzorgtekort, dan kan een verpleegkundige het individu daarbij
ondersteunen of de tekorten aanvullen of overnemen. Zij maakt onderscheidt
in 18 zelfzorggebieden (zie kader).
De 18 aspecten
van zelfzorg kunnen niet los van elkaar gezien worden, zij beïnvloeden
elkaar (holistisch). De mens is in principe zelf verantwoordelijk voor de
zelfzorg. De wijze waarop een bepaald individu dat doet is voor elk
individu verschillend (uniciteit).
Het vermogen tot zelfzorg is mede afhankelijk van de levensfase waarin
iemand verkeert. Een baby heeft minder vermogen tot zelfzorg dan een
volwassene.
Zelfzorgtheorie van
Dorothea Orem
Volgens Orem is verzorgen hetzelfde als beroepsmatig hulp geven aan mensen
met een tekort in hun zelfzorg. Door dit tekort in zelfzorg zijn deze
mensen niet in staat voor zichzelf te zorgen op een zodanige manier dat je
kunt spreken van een gezond leven. Met zelfzorg bedoelt zij het vermogen
van mensen om in verschillende omstandigheden en in verschillende
levensfasen voor zichzelf en/of zijn directe omgeving te zorgen. Met
'zelf' bedoelt zij iemands hele wezen. Dat wil zeggen dat er wordt
uitgegaan van een holistisch mensbeeld. Met
'zorg' bedoelt zij dat het gaat om activiteiten waarmee mensen reageren op
hun eigen zorgbehoefte. De zorgactiviteiten hebben een bepaald doel, ze
hebben te maken met een eigen manier van leven die bijdraagt tot een
gezond leven.
Het doel van de zelfzorg van de mens is volgens deze theorie dat een mens
altijd iets doet of laat wat hij belangrijk of waardevol vindt. Naast
zelfzorg onderscheidt Orem ook de afgeleide zelfzorg, wat wij de
mantelzorg noemen. Bedoeld wordt een zorg die dicht tegen zelfzorg aanzit.
De grens tussen zelfzorg en afgeleide zorg is meestal niet nauwkeurig te
trekken omdat bij afgeleide zorg ook sprake is van een vervulling van de
eigen behoefte.
Vereiste zelfzorg
Wat is nodig om goed te leven, je
te ontwikkelen en gezond te blijven? Orem spreekt in dit verband over de
vereiste zelfzorg en onderscheidt daarin drie categorieën van
zelfzorgbehoeften.
- Universele zelfzorgbehoefte (zie kader)
Het gaat daarbij om voor elk mens geldende behoeften als
bijvoorbeeld behoefte aan lucht, voedsel, vocht en uitscheiding.
- Ontwikkelingsbepaalde zelfzorgbehoeften
Deze zelfzorgbehoeften worden bepaald door de levensfase van de
mens en de ontwikkeling die hij daarin doormaakt. Iedere levensfase
brengt met zich mee dat bepaalde activiteiten wel, niet of anders
gedaan en beleefd worden.
- Gezondheidsbepalende zorgbehoeften
De zelfzorgbehoefte heeft hier te maken met de eisen die, ziek of
gehandicapt-zijn aan zelfzorg van de mens stelt. Bijvoorbeeld leren
omgaan met handicap. De zorgbehoefte wordt als het ware aangepast aan
wat men op dat moment kan.
Zelfzorgvermogen
Zelfzorg is niet iets dat aangeboren is. Zelfzorg is aangeleerd
gedrag. In de loop van zijn leven leert de mens hoe belangrijk zelfzorg is
voor een gezond bestaan. Omgeving en milieu spelen een belangrijke rol bij
het aanleren van zelfzorgactiviteiten.
Orem noemt het zelfzorgvermogen de verbindende schakel tussen zelfzorg en
zelfzorggedrag. Met zelfzorgvermogen wordt bedoeld in hoeverre iemand in
staat of bekwaam is tot het verrichten van zelfzorg. Er bestaan grote
verschillen tussen mensen wat betreft de ontwikkeling van dit
zelfzorgvermogen.
Of iemand in staat is het zelfzorgvermogen te gebruiken hangt af van de
situatie. Bijvoorbeeld iemand met reuma kan door hevige pijn zijn
zelfzorgvermogen niet ten volle benutten, of de dokter heeft tijdelijk
bedrust voorgeschreven en hierdoor is het niet mogelijk het
zelfzorgvermogen volledig te gebruiken. Men
kan spreken van verschillen in de mate waarin iemand gebruik kan maken van
zijn zelfzorgvermogen: het kan volledig, gedeeltelijk (ziekte, handicap),
of helemaal niet (coma, dementie) gebruikt worden. Het zelfzorgvermogen is
dus per individu verschillend en moet ook per individu en situatie
beoordeeld worden.
Zelfzorgtekort
Wanneer het zelfzorgvermogen en de zelfzorgbehoeften in evenwicht zijn, is
sprake van een gezond bestaan. Als dit niet het geval is, is er sprake van
een zelfzorgtekort. Bij een zelfzorgtekort is men tijdelijk of blijvend,
niet in staat voor zichzelf te zorgen. Door het zelfzorgvermogen en het
ontstane zelfzorgtekort juist in te schatten kan er zorg op maat worden
geboden.
Een goede manier om iemands zelfzorgvermogen te bepalen is het stellen van
een drietal vragen: 'Wat kan iemand (lichamelijk, geestelijk,
sociaal)'; 'Wat weet iemand (kennis, inzicht)' en 'Wat wil iemand
(motivatie)'. Afhankelijk van het antwoord zal zorg verleend worden.
Het zal duidelijk zijn dat deze drie terreinen elkaar kunnen overlappen en
dat een combinatie van factoren een rol kan spelen. Iemand kan iets
niet, omdat hij niet weet hoe, of iemand wil iets niet omdat
hij daar geestelijk niet meer toe in staat is. Uitgaande
van de zelfzorgtheorie betekent dit dat de zorgverlener soms motiverend
soms informerend en soms daadwerkelijk hulpverlenend, dat wil zeggen de
zorg overnemend met de bewoner bezig is.
| |
Basisbehoeften Virginia Henderson |
Aspecten van zelfzorg Van den Brink-Tjebbes |
Universele zelfzorgactiviteiten Orem |
| 1 |
zorg voor ademhalen |
lichaam als verschijningsvorm |
handhaving van voldoende opname van lucht |
| 2 |
zorg voor eten en drinken |
houding en (voort-)beweging |
handhaving van voldoende opname van water |
| 3 |
zorg voor uitscheiding |
circulatie |
handhaving van voldoende opname van voedsel |
| 4 |
houding, lopen, zitten |
ademhaling |
voorzien in de uitscheiding |
| 5 |
rust, slaap |
warmteregulatie |
handhaving van evenwicht tussen activiteit en rust |
| 6 |
kiezen van geschikte kleding, aan- en uitkleden |
spijsvertering |
handhaving van evenwicht tussen individu-zijn en sociaal contact |
| 7 |
handhaven van de normale lichaamstemperatuur |
uitscheiding afvalstoffen |
voorkomen van gevaren voor menselijk functioneren, welzijn en bestaan |
| 8 |
hygiënische verzorging van het eigen lichaam |
informatievoorziening (zintuigen) |
bevordering menselijk functioneren en
sociale ontwikkeling in groepen in overeenstemming met de menselijke mogelijkheden |
| 9 |
bescherming tegen gevaar |
neurologisch stuurmechanisme |
|
| 10 |
communicatie, contacten onderhouden met anderen |
hormonaal stuurmechanisme |
|
| 11 |
geloofsbelijdenis, levensovertuiging |
levensritmen |
|
| 12 |
werkzaam en produktief zijn |
seksueel functioneren |
|
| 13 |
creatief zijn |
psychisch functioneren |
|
| 14 |
ontdekken en bevredigen van nieuwsgierigheid |
communiceren |
|
| 15 |
|
functioneren in omgeving |
|
| 16 |
|
functioneren in persoonlijke relaties |
|
| 17 |
|
functioneren in samenlevingsverbanden |
|
| 18 |
|
functioneren in de religieuze en levensbeschouwelijke context |
|
De keuze voor één van bovenstaande visies
kan mede de vormgeving van het zorgplan bepalen. Zij zijn echter niet van
invloed op de principes van het methodisch handelen waarbij zorgplannen
een hulpmiddel zijn.
Literatuur
Verpleegkunde, concepten voor de praktijk. D.E.Orem. Lemma BV, Utrecht
1992
Welke visie is pati"engericht? H. Masselink en L. de Ruiter. Tijdschrift
voor Verpleegkundigen, 1994, nr. 22, pag. 681 - 684
Ron van Wijhe, adviseur BTSG
BTSG innovatie in
ouderenzorg. Postbus 1329, 6501 BH Nijmegen. |